Compagnonsvaart

sluis Fochteloo

Artikel Bonne Stienstra

17 september 2011 , pag. 8

Sluiswachter

L

Bonne stienstra

Liever dan brugwachter op de Fonejachtbrêge zou ik sluiswachter in Châtillon en Bazois zijn. De brugwachter

doet het nooit goed, want de bootjes moeten wachten, of de auto’s. Maar de sluiswachter heeft alleen met varensgasten van doen. Nivernais. Het was een zondagmorgen in 2011, maar het had ook een zondagmorgen

in 1970 kunnen zijn. Of een zondagmorgen in 1911. Het kanaal was er, het pad, het groen, het blauw. Het was een morgen van alle tijden. De sluiswachtershuisjes waren er ook. Niet dat we ze allemaal voorbij zijn gekomen.

Er zijn er tenslotte meer dan honderd langs het 174 kilometer lange kanaal van de Seine naar de Loire. Aan al die huisjes is de tijd voorbijgegaan. Van sommige waren de luiken gesloten, andere waren tamelijk armoedig en weer

andere stonden er even blakend bij als hun eigenaren. Druk heeft de sluiswachter het hier niet. Twintig bootjes op een dag, dat is al veel en dan alleen ook nog maar in het zomerseizoen. Soms is de sluiswachter een studente.

Dan is het huisje van iemand anders en doet zij de sluis. Ze zit in de schaduw, tegen een boom, boeken en vellen aantekeningen om zich heen. Als haar mobieltje gaat, weet ze: mon ami of de sluiswachter verderop. Meestal is het de laatste om door te geven dat er een boot haar kant op komt. Ze legt een steen op haar paperassen en loopt loom naar de slinger, niks geen elektrisch aangestuurd mechaniek. Ze draait er de sluisdeur mee open of dicht al naar gelang de richting van waaruit het bootje gaat komen. Dan komt het bootje. Het vaart de sluis in. Water loopt in de sluis. Of water loopt uit de sluis. Dat kan zomaar een kwartier duren. Dat kwartier, zei een sluiswachtster die al 28 jaar de sluis bedient, daar gaat het om. Tijd voor wat sociaal contact, een praatje, als

het tenminste Fransen zijn die geschut worden. Of een Franstalige Zwitser, dat mag ook van haar. Niemand heeft haast. De bootjesmensen niet, want het is vakantie. De sluiswachtster niet, want ze voelt geen druk van   ongedurige automobilisten. Die zijn er niet. Het is de boot, de sluis en het water. Ze wuift de toeristen na en pakt haar gieter. Ze heeft haar sluis behangen met potten bloemen. Geraniums, petunia’s, beltsjeblommen en wat niet al. Menig chagrijnige Leeuwarder zou er nog chagrijniger van worden, maar hier in Frankrijk vinden ze dat mooi: bloemen aan openbare hekwerken.Gemiddeld om de 2 kilometer is er een sluis en dus een sluiswachter. De een zit onder een boom te studeren, de ander geeft de bloemen water en weer een ander schildert gans het raderwerk in zijn favoriete kleur. Soms is dat groen, soms is dat rood en deze houdt van blauw, diepblauw.

Al die sluiswachters behandelen hun sluis en huis als hun eigen domein. Kleine koninkrijkjes zijn het. Honderd en nog wat sluizen en geen een dezelfde. Hier heerst de vrijheid van het individu, terwijl de tijd heeft besloten hier stil te staan. Een leven als God in Frankrijk zeggen we als we een paradijselijk bestaan op aarde bedoelen.

Maar een leven als een sluiswachter in Frankrijk mag ook.
 bonne.stienstra@lc.nl

omslag naar Friesland

17 september 2011 , pag. 8

Sluiswachter

L

overgezet van bovenstaand artikel 

Liever dan brugwachter op de Fonejachtbrêge zou ik sluiswachter in  Lippenhuizen zijn. De brugwachter doet het nooit goed, want de bootjes moeten wachten, of de auto’s. Maar de sluiswachter heeft alleen met varensgasten van doen. Turfroute. Het was een zondagmorgen in 2011, maar het had ook een zondagmorgen

in 1970 kunnen zijn. Of een zondagmorgen in 1911. Het kanaal was er, het pad, het groen, het blauw. Het was een morgen van alle tijden. De sluiswachtershuisjes waren er ook. Niet dat we ze allemaal voorbij zijn gekomen.

Druk heeft de sluiswachter het hier niet. Twintig bootjes op een dag, dat is al veel en dan alleen ook nog maar in het zomerseizoen. Soms is de sluiswachter een studente.

Dan is het huisje van iemand anders en doet zij de sluis. Ze zit in de schaduw, tegen een boom, boeken en vellen aantekeningen om zich heen. Als haar mobieltje gaat, weet ze: mon ami of de sluiswachter verderop. Meestal is het de laatste om door te geven dat er een boot haar kant op komt. Ze legt een steen op haar paperassen en loopt loom naar de slinger, niks geen elektrisch aangestuurd mechaniek. Ze draait er de sluisdeur mee open of dicht al naar gelang de richting van waaruit het bootje gaat komen. Dan komt het bootje. Het vaart de sluis in. Water loopt in de sluis. Of water loopt uit de sluis. Dat kan zomaar een kwartier duren. Dat kwartier, zei een sluiswachtster die al 28 jaar de sluis bedient, daar gaat het om. Tijd voor wat sociaal contact, een praatje, als het tenminste Friezen zijn die geschut worden. Of een Friestalige Stellingwerver, dat mag ook van haar. Niemand heeft haast. De bootjesmensen niet, want het is vakantie. De sluiswachtster niet, want ze voelt geen druk van ongedurige automobilisten. Die zijn er niet. Het is de boot, de sluis en het water. Ze wuift de toeristen na en pakt haar gieter. Ze heeft haar sluis behangen met potten bloemen. Geraniums, petunia’s, beltsjeblommen en wat niet al. Menig chagrijnige Leeuwarder zou er nog chagrijniger van worden, maar hier in Oost-Friesland vinden ze dat mooi: bloemen aan openbare hekwerken.Gemiddeld om de 2 kilometer is er een sluis en dus een sluiswachter. De een zit onder een boom te studeren, de ander geeft de bloemen water en weer een ander schildert gans het raderwerk in zijn favoriete kleur. Soms is dat groen, soms is dat rood en deze houdt van blauw, diepblauw.

Al die sluiswachters behandelen hun sluis en huis als hun eigen domein. Kleine koninkrijkjes zijn het. Honderd en nog wat sluizen en geen een dezelfde. Hier heerst de vrijheid van het individu, terwijl de tijd heeft besloten hier stil te staan. Een leven als God in Frankrijk zeggen we als we een paradijselijk bestaan op aarde bedoelen.

Maar een leven als een sluiswachter in Frankrijk mag ook.